Tijdens de studiemiddag VarkensInZicht bij ILVO in Melle afgelopen voorjaar ging onderzoekster Alice Van den Broeke in op leerpunten en knelpunten in de biologische varkenshouderij. Eén van de uitdagingen is het houden van intacte beren. Berengeur, vleeskwaliteit en onrust in de stal kunnen negatieve bijkomstigheden zijn van het houden van intacte beren. Hoe kunnen we deze problemen voorkomen?
In het afgeronde BIOBEER III-project werd onderzocht waar nog knelpunten liggen voor het houden van intacte beren in de biologische varkenshouderij. De interesse is er duidelijk. Varkenshouders en retail kijken naar intacte beren omwille van ecologische voordelen, zoals een lagere CO₂-voetafdruk en een efficiëntere benutting van stikstof en fosfor. Ook consumentenverwachtingen en dierenwelzijn spelen mee. Toch blijft de overstap gevoelig. De belangrijkste aandachtspunten zijn de betrouwbare detectie van berengeur, het beperken van het aandeel karkassen met berengeur, het behoud van vleeskwaliteit en het vermijden van onrust, schade en seksueel gedrag in de stal.
Probleemgedrag voorkomen
Op drie biologische praktijkbedrijven werden verschillende strategieën getest: graskuil naast het normale rantsoen, een supplement met kastanjetannines door het voeder en Bio Taintstop via het voeder. De strategieën werden telkens afgestemd op het bedrijf. Eén ding was namelijk wel duidelijk als het gaat om het houden van intacte beren op een biobedrijf: er bestaat geen standaardoplossing die overal hetzelfde werkt.
De ervaringen op de bedrijven waren overwegend positief. Op twee bedrijven werd nauwelijks probleemgedrag vastgesteld. Op één bedrijf kwam wel meer seksueel gedrag en onrust voor. Volgens de toelichting speelde het bedrijfsmanagement daarbij vermoedelijk een belangrijke rol. Onder meer door beperkte voedering en minder kwalitatief strooisel waren de uitdagingen groter. Aan de slachtlijn bleken huidletsels op alle bedrijven minimaal. Intacte beren houden kan dus, maar vraagt scherp management. Rust in de groep, voldoende en goed voeder, kwalitatief strooisel en een goed opgevolgde stalomgeving blijven cruciaal.
Berengeur blijft het grootste knelpunt
De analyse van berengeur bevestigde dat ook dit thema nog de nodige uitdagingen kent. De prevalentie lag relatief hoog. Bij 185 onderzochte beren werd bij 14 procent berengeur geroken. Labo-onderzoek wees uit dat dit vooral werd veroorzaakt door androstenon. Skatol speelde een kleinere rol.
Op drie bedrijven werden proeven gedaan met respectievelijk Bio Taintstop, kastanjetannines en graskuil. Vooral graskuil gaf een duidelijke daling van androstenon. Bio Taintstop in het voer liet een effect op skatol zien, maar dat was niet altijd statistisch overtuigend. Kastanjetannines als plantaardig voederadditief gaven in deze proeven geen duidelijke reductie.
Verder onderzoek naar reductiestrategien is dus nodig. Vooral voor androstenon is er nog werk aan de winkel. Voor varkenshouders die met intacte beren aan de slag willen, blijft een goede opvolging van berengeur in overleg met slachthuis, afnemer en retail noodzakelijk.
Vleeskwaliteit: kleine verschillen, weinig effect in verwerkte producten
Met hulp van smaakpanels werd gekeken naar vleeskwaliteit en smaak van berenvlees. Bij de carré van beren werden enkele verschillen vastgesteld tussen vlees van bargen en van beren: het vlees van beren was iets donkerder, verloor iets meer vocht bij het koken, had een hogere scheurkracht en bevatte iets minder intramusculair vet.
Bij hamburgers werden echter geen smaak‑ of textuurverschillen vastgesteld tussen bargen en niet‑stinkende beren. Enkel wanneer 100 procent stinkervlees werd gebruikt, was de berengeur duidelijk merkbaar. Wanneer 20 procent stinkervlees werd gemengd met 80 procent bargenvlees, konden noch consumenten noch experten een verschil detecteren.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: ILVO




