Volgens POV-beleidsmedewerker Fleur Bartels biedt het Convenant Dierwaardige Veehouderij politieke rust op het dierwelzijnsdossier. Losstaande discussies kunnen er hopelijk mee worden voorkomen. De grootste uitdagingen zitten volgens Bartels in de praktische uitvoerbaarheid, vergunningverlening en het verdienmodel voor ondernemers.
Bartels ging in op het convenant tijdens de bijeenkomst ‘Dierwaardige Veehouderij: spreken wetenschap, praktijk en sector dezelfde taal?’ op 23 september in Bentelo. De bijeenkomst werd georganiseerd door de Stuurgroep Varkens van AgriVaknet, de vereniging en netwerkorganisatie voor bedrijfsadviseurs.
Oorsprong in ‘politiek bedrijfsongeluk’
De aanleiding voor het Convenant Dierwaardige Veehouderij is volgens Bartels een ‘politiek bedrijfsongeluk’. Daarmee doelt zij op het in 2021 aangenomen amendement van de Partij voor de Dieren, waarin werd vastgelegd dat een houderijsysteem moet worden aangepast aan de behoeften van het dier. Het was verkiezingstijd en de meerderheid stemde voor. Volgens Bartels werd pas na de stemming duidelijk welke verstrekkende gevolgen die formulering kon hebben.
“Het klonk eenvoudig en sympathiek voor Tweede Kamerleden, maar al snel bleek dat juridisch en praktisch buitengewoon ingewikkeld,” vertelt Bartels. “Wanneer pas je een dier aan en wanneer het systeem? Daar bleek geen eenvoudige definitie voor te bestaan.”
Om duidelijkheid te creëren werd advies gevraagd aan de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), die het begrip dierwaardige veehouderij verder uitwerkte. Uiteindelijk besloot het kabinet samen met sectorpartijen, ketenorganisaties, dierenwelzijnsorganisaties en de overheid te werken aan een convenant dat de uitgangspunten voor dierwaardige veehouderij moest vastleggen. Na een traject van meerdere jaren, doordat verschillende kabinetten vielen en het landbouwakkoord klapte, werd het convenant in juni 2025 ondertekend.
Balans tussen welzijn, gezondheid en voedselveiligheid
Volgens Bartels ontstaat in maatschappelijke discussies vaak het beeld dat dierwaardigheid uitsluitend draait om meer ruimte of om bijvoorbeeld een buitenuitloop. Dat beeld is volgens haar te eenzijdig. Ze verwees naar het welzijnsmodel dat in het convenant als uitgangspunt wordt gehanteerd. Daarin staan goede voeding, een goede leefomgeving en een goede gezondheid gelijkwaardig naast elkaar. Pas wanneer die basisvoorwaarden op orde zijn, kan een dier zijn soorteigen gedrag vertonen. “Bij dierwaardigheid gaat het om een balans. Goede gezondheid is voor de varkenshouderij juist een sterk punt. Je kunt niet alleen kijken naar huisvesting en omgeving.”
Ook voedselveiligheid blijft volgens haar een belangrijke randvoorwaarde. Nederland heeft internationaal een sterke reputatie opgebouwd op dat vlak en die positie mag volgens Bartels niet uit het oog worden verloren.
Plan van aanpak voor de varkenshouderij
Binnen het convenant vormt een sectorspecifiek plan van aanpak de basis voor de varkenshouderij. Dat plan werd opgesteld door de POV, jonge varkenshouders vanuit het NAJK, de biologische varkenshouderij en de Dierenbescherming.
De belangrijkste thema’s zijn:
- het stoppen met routinematig couperen van staarten;
- de overgang naar vrijloopkraamhokken;
- meer hokverrijking en mogelijkheden voor exploratiegedrag;
- het creëren van functiegebieden in het hok;
- verbetering van stalklimaat en dag-nachtritme;
- het later spenen van biggen.
Bartels benadrukt dat het plan bewust niet werkt met harde einddata voor individuele bedrijven. Voorkomen moet worden dat ondernemers worden gedwongen tot investeringen die niet passen in het ritme van het bedrijf. “Ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk aansluiten bij natuurlijke investeringsmomenten, bijvoorbeeld bij nieuwbouw of verbouw.”
Vergunningen vormen grootste struikelblok
De sector toont zich bereid om stappen te zetten. We beginnen uiteindelijk niet bij nul en binnen CoViVa wordt er al veel gedaan. Toch ziet Fleur Bartels meerdere knelpunten die de uitvoering kunnen belemmeren. De belangrijkste uitdaging is volgens haar de vergunningverlening. Veel maatregelen vragen meer ruimte per dier of een andere inrichting van de stal. “We kunnen wel vrijloopkraamhokken willen realiseren, maar dan moeten vergunningen daarvoor ook daadwerkelijk verleend kunnen worden.”
Het convenant kan dus niet los worden gezien van andere dossiers zoals stikstof. Bartels waarschuwt voor een zogenoemd waterbedeffect. “Als je op één onderdeel stuurt, kan dat ergens anders weer gevolgen hebben. Daarom moet je integraal blijven kijken.”
Verdienmodel cruciaal
Een tweede grote uitdaging zit volgens Bartels in de financiering van de omslag. Vrijloopkraamhokken en andere welzijnsmaatregelen vragen forse investeringen. Die moeten wel betaald worden. Juist vanwege het belang van een gezond verdienmodel hebben naast de overheid ook slachterijen, supermarkten en andere ketenpartijen het convenant ondertekend. Zij moeten een rol spelen bij het creëren van marktwaarde en vergoeding voor de extra inspanningen van varkenshouders. Dat is een van de randvoorwaarden om een volgende stap te kunnen zetten.
Staarten: veel discussie over uitvoerbaarheid
Een van de meest gevoelige dossiers blijft het stoppen met couperen van staarten. In de huidige uitwerking van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) mogen staarten in de toekomst alleen nog worden gecoupeerd wanneer sprake is van aantoonbare risico’s op staartschade. Dat brengt volgens Bartels een aanzienlijke administratieve last met zich mee. Bedrijven moeten onder meer risicoanalyses opstellen, verbeterplannen maken, een logboek bijhouden en deze periodiek evalueren met de dierenarts. De Nederlandse varkenssector werkt sowieso al toe naar stoppen met couperen in 2030. Arbeid wordt hierin volgens Bartels een belangrijke uitdaging. “Voor het houden van varkens met lange staarten is veel meer monitoring nodig. Personeel wordt daarin echt een belangrijk aandachtspunt.”
Behoefte aan stabiel beleid
Een belangrijk doel van het convenant is volgens Bartels het creëren van rust en voorspelbaarheid. Dierenwelzijn is politiek gezien een populair onderwerp en daardoor worden regelmatig nieuwe moties ingediend. De hoop is dat toekomstige bewindspersonen indieners van moties kunnen verwijzen naar de afspraken in het convenant en de bijbehorende regelgeving, zodat losse politieke initiatieven minder invloed krijgen op de dagelijkse bedrijfsvoering. “We moeten af van steeds nieuwe losse discussies over één specifiek onderwerp. Ondernemers hebben behoefte aan een langetermijnkoers.”
Adviseurs spelen sleutelrol
Bartels sloot haar verhaal af met een duidelijke boodschap aan erfbetreders en adviseurs. Zij krijgen volgens haar een belangrijke rol bij het voorkomen van desinvesteringen en het begeleiden van ondernemers bij strategische keuzes. “De vraag is niet alleen wat technisch mogelijk is, maar ook welke markt een ondernemer wil bedienen en wat bij die ondernemer past. Het wordt steeds belangrijker om investeringsplannen te beoordelen in samenhang met dierenwelzijn, vergunningen, emissies, financiën en marktconcepten.”
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV




