De Nederlandse veehouderij is de afgelopen decennia sterk veranderd. Wet- en regelgeving, milieumaatregelen en uitbraken van dierziekten hebben grote invloed gehad op de omvang van verschillende veestapels. Vooral in de pluimvee- en varkenssector zijn duidelijke schommelingen en dalingen zichtbaar. Deze ontwikkelingen laten zien hoe economische, gezondheids- en milieufactoren samen de landbouw beïnvloeden.
Het aantal kippen verloopt golvend met een stijgende trend tot en met 2015. In 1980 waren er 81 miljoen kippen, in 2015 waren dat er op het hoogtepunt bijna 107 miljoen. Sindsdien neemt het aantal kippen ieder jaar af. De forse afname in 2003 was een gevolg van de vogelgriepepidemie. In het voorjaar van 2003 werden bijna 30 miljoen kippen geruimd. Ook in de afgelopen jaren blijft de vogelgriep regelmatig opduiken. In 2025 waren er 88 miljoen kippen, waarvan 40 miljoen leghennen en 39 miljoen vleeskuikens.
De varkensstapel bedroeg 10 miljoen in 1980. Het grootste aantal varkens was er in 1997 met 15 miljoen stuks. In februari 1997 was er een uitbraak van de varkenspest, waardoor de varkensstapel in een jaar tijd fors daalde. De jaren erna kenden een dalende trend tot 2004 als gevolg van factoren als marktontwikkelingen, de Wet herstructurering varkenshouderij en milieu- en dierwelzijnsmaatregelen. Op het dieptepunt in 2004 waren er 11,2 miljoen varkens. Na 2004 nam het aantal varkens toe en lag het aantal jarenlang rond de 12 miljoen. Mede als gevolg van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (SRV) en de LBV/LBV-plus (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting) is er een dalend trend zichtbaar vanaf 2020, waarbij het aantal varkens in 2025 afgenomen is naar een dieptepunt van 9,8 miljoen. Dat is sinds 1979 voor het eerst onder de 10 miljoen.





