Om te komen tot een duurzamere varkenshouderij is het van belang om een goed inzicht te krijgen in het gebruik van voedingsstoffen. Nutriënten worden deels opgenomen door het varken en komen deels in het mest terecht. In dat laatste geval verrijken ze de bodem en komen ze zo in gewassen terecht die weer zullen dienen als varkensvoeder. Als deze nutriëntencyclus preciezer gedocumenteerd wordt, kan het varkenshouders helpen om duurzamere keuzes te maken. Ter voorbereiding van deze analyse deden Amerikaanse onderzoekers van de Iowa State University een literatuurstudie waarin ze bestaande kennis over het onderwerp samenbrachten.
In de laatste vijftig jaar zette de Amerikaanse varkenssector al grote stappen vooruit om de milieu-impact te verminderen. Door middel van genetische selectie en een verbeterde huisvesting, voeding en gezondheid daalde de CO2-afdruk per kilogram karkasgewicht met maar liefst 35 procent. Door een verbetering in management daalde ook het land-, water en energiegebruik respectievelijk met 75 procent, 25 procent en 7 procent.
Bedrijven werden wel intensiever: ze hielden meer varkens, terwijl ze minder land in hun bezit hadden. Hierdoor werd de afstand tussen veeteelt en akkerbouw groter. Dit maakt de analyse van de cyclus van voedingsstoffen complexer, aangezien meer partners betrokken zijn.
Er bestaat al heel wat onderzoek rond de nutriëntencyclus van stikstof. Zo wordt geschat dat 5 procent tot 45 procent van het stikstof dat aanwezig is in eiwit in het veevoeder behouden blijft in het dier of in het product voor menselijke consumptie (vlees, eieren of melk). Dat houdt dus in dat maar liefst 55 tot 95 procent van de stikstof terechtkomt in het mest en de urine. Bovendien komt niet alle stikstof in het mest als bemesting op het land terecht. Ongeveer vijftig procent van de stikstof gaat verloren door vervluchtiging. Dit wil zeggen dat het verandert in gas en daardoor niet in het mest aanwezig blijft. Er is wel een groot verschil tussen verschillende opvangsystemen. Als de mest in diepe putten wordt opgeslagen, gaat 15 tot 35 procent verloren. Dit staat tegenover een verlies van vijftig tot zeventig procent in oppervlakkige opvangsystemen. In dat laatste geval kan er dus minder stikstof ingezet worden als voedingsstof van voedergewassen.
Naar het (her)gebruik en verlies van andere voedingsstoffen, zoals zwavel of koolstof, is echter minder onderzoek gedaan. Hier is dus nog meer kennis nodig om de nutriëntencyclus te kunnen evalueren. Verder toont het onderzoek rond stikstof aan dat de berekening van de volledige nutriëntencyclus zeer complex is. Er moet immers rekening gehouden worden met diverse aspecten, zoals vervluchtiging van nutriënten, technologie en management. Daarnaast zijn er veel verschillen tussen bedrijven en regio’s. Er zou daarom eerst bepaald moeten worden welk berekeningsmodel het meest geschikt is. Daarna kan een formeel systeem ontwikkeld worden dat de uitdagingen en kansen op vlak van duurzaamheid duidelijk maakt. Hiermee kunnen beleidsmakers en veetelers geïnformeerde keuzes maken die leiden tot een duurzamere varkenshouderij.
Tekst: Maarten Ceyssens





