De Vlaamse mestproductie evolueert, zo zien we in het Mestrapport 2026 van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Maar tussen varkenshouders en melkveehouders is het beeld verschillend: de varkensstapel krimpt al jaren stevig, terwijl de melkveehouderij na een lange groeiperiode pas recent een lichte terugval laat zien. Opvallend: de mestproductie van melkvee daalt, terwijl het aantal dieren wel degelijk afneemt.
De Vlaamse dierlijke mestproductie daalt voor het vierde jaar op rij. In 2025 bedroeg ze 121,7 miljoen kilogram stikstof en 55,6 miljoen kilogram fosfaat, tegenover 121,9 miljoen kg stikstof en 56,0 miljoen kilogram fosfaat in 2024. Dit lezen we in het Mestrapport 2026 dat VLM afgelopen week publiceerde.
Varkens: structurele krimp zet door
Voor de varkenshouderij is de trend het meest uitgesproken. In 2025 telde Vlaanderen nog 4,89 miljoen varkens. Dat is 2 procent minder dan in 2024 en maar liefst 21,9 procent minder dan in 2015. Na een periode waarin de varkensstapel tussen 2019 en 2021 rond 5,9 miljoen dieren schommelde, volgden forse dalingen in 2022 en 2023 en verdere krimp in 2024 en 2025.
Die afbouw heeft verschillende oorzaken. De daling was al ingezet vóór de vrijwillige stopzettingsregelingen. In 2022 speelde een slechte marktsituatie een belangrijke rol, met meer leegstand op de bedrijven. Daarna verbeterden de varkensprijzen en daalden de voederprijzen, waardoor sommige bedrijven hun capaciteit opnieuw verhoogden. Tegelijk hebben de zogenaamde varkenscalls de structurele afbouw versneld. Op 366 bedrijven verdwenen in 2023 en 2024 samen 370.744 varkens van Vlaamse bodem. De bijbehorende nutriëntenemissierechten worden geschrapt. Het gaat het om een permanente vermindering.
Die krimp vertaalt zich rechtstreeks in minder mestproductie. De productiedruk van varkensmest daalde tussen 2015 en 2025 van 61 naar 50 kilogram stikstof per hectare landbouwareaal. Vooral in centraal West-Vlaanderen is de daling duidelijk zichtbaar.
Toch wordt de mestproductie niet alleen bepaald door het aantal dieren. Voeding speelt eveneens een grote rol. Nutriëntenarme voeders en aangepaste voedertechnieken zijn ondertussen nagenoeg standaard in de varkenshouderij. Voor 98,5 procent van de varkens wordt de uitscheiding via wiskundige formules berekend. Voor de varkenssector alleen leveren aangepaste voeders en technieken een vermindering op van 7,2 miljoen kilogram stikstof en 3,6 miljoen kilogram fosfaat ten opzichte van een berekening met forfaitaire uitscheidingscijfers.
Melkvee: van jarenlange groei naar eerste terugval
Bij rundvee is het verhaal minder eenduidig. De totale rundveestapel daalt sinds 2017 en kwam in 2025 uit op 1,17 miljoen dieren, bijna 12 procent minder dan in 2015. Binnen die daling vond echter jarenlang een verschuiving plaats van vleesvee naar melkvee. Het aantal melkkoeien lag in 2025 nog altijd 12,7 procent hoger dan in 2015. Pas sinds 2024 lijkt de groei te stoppen. Na een piek van 323.900 melkkoeien in 2023 daalde het aantal naar 323.200 in 2024 en 317.700 in 2025. Ook het vervangingsvee neemt af.
In de mestproductie is dit goed te zien. Terwijl de productiedruk van vleesvee tussen 2015 en 2025 daalde van 47 naar 35,5 kilogram stikstof per hectare, steeg die van melkvee van 56,5 naar 68 kilogram per hectare. In 68 procent van de afstroomzones nam de productiedruk door melkvee toe. Vooral in het noorden van Antwerpen en Limburg en in delen van Oost-Vlaanderen is er veel melkvee.
Voor melkveehouders is bovendien een belangrijke rekenkundige verandering opgetreden. Sinds 2025 gelden hogere uitscheidingscijfers voor hoogproductieve melkkoeien. Tot en met 2024 gold voor koeien boven 10.000 kilogram melk per jaar een norm van 131 kilogram stikstof en 43 kilogram fosfaat per dier. Vanaf 2025 loopt de hoogste categorie, voor koeien boven 14.750 kilogram melk, op tot 169 kilogram stikstof en 57 kilogram fosfaat per dier. Ook voor zoogkoeien worden de normen stapsgewijs verhoogd.
Dat verklaart waarom de rundveemestproductie in 2025 nauwelijks daalt, hoewel er minder runderen zijn. Met de vroegere normen zou de productie bij rundvee in 2025 ongeveer 1,8 miljoen kilogram stikstof en 0,8 miljoen kilogram fosfaat lager hebben gelegen.
Voor de praktijk betekent dit dat een dalende veestapel en een dalende mestproductie niet altijd één op één samengaan. Zeker op hoogproductieve melkveebedrijven kan de berekende mestproductie per koe hoger liggen dan vroeger.
De Vlaamse mestdruk daalt, maar niet overal
Over heel Vlaanderen daalde de dierlijke productiedruk tussen 2015 en 2025 slechts beperkt, van 189 naar 184 kilogram stikstof per hectare landbouwareaal. Dat gemiddelde maskeert grote regionale verschillen. De druk blijft het hoogst in centraal West-Vlaanderen en in het noorden van Antwerpen en Limburg. In 54 procent van de afstroomzones daalde de productiedruk met meer dan 5 kilogram per hectare; in ongeveer een kwart bleef ze min of meer stabiel.
De sectorale verschuiving is daarbij belangrijk. Vrijwel overal stabiliseert of daalt de druk uit varkensmest, terwijl melkvee in veel regio’s net een hogere druk veroorzaakt dan tien jaar geleden. Daardoor kan de situatie op bedrijfs- en streekniveau sterk afwijken van de Vlaamse totaaltendens.
Richting 2030: verdere afbouw waarschijnlijk
Voor 2030 verwacht het rapport een verdere daling van zowel de varkens- als de rundveestapel. Die verwachting is gebaseerd op een enquête bij veehouders uit het Landbouwmonitoringsnetwerk. De VLM waarschuwt daarom dat veranderingen in beleid of economische omstandigheden de uitkomst nog aanzienlijk kunnen beïnvloeden.
Voor rundvee wijzen de scenario’s op 7 tot ruim 9 procent minder dieren in 2030 tegenover 2023. Voor varkens loopt de verwachte daling, afhankelijk van de gehanteerde weging, van 16 tot 23 procent.
Bij rundvee zou de mestproductie daardoor tegen 2030 uitkomen op ongeveer 66,4 tot 67,6 miljoen kilogram stikstof en 26,5 tot 27,1 miljoen kilogram fosfaat. Rekening houdend met de nieuwe uitscheidingscijfers zou de werkelijke daling door de afname van het aantal dieren groter zijn dan een eenvoudige vergelijking met de oude cijfers doet vermoeden.
Voor de varkenshouderij wordt tegen 2030 een mestproductie geraamd van 26,3 tot 28,3 miljoen kilogram stikstof. Dat is 4,8 tot 6,8 miljoen kilogram stikstof minder dan in 2023. De fosfaatproductie zou dalen tot 13,8 à 14,8 miljoen kilogram. In die berekening wordt ervan uitgegaan dat de resterende varkens tegen 2030 in emissiearme stallen, stallen met luchtwasser of biobed worden gehouden.
Over alle diersectoren samen verwacht het Mestrapport in 2030 een netto mestproductie van 112,3 tot 117,8 miljoen kilogram stikstof en 51,2 tot 53,1 miljoen kilogram fosfaat. Dat betekent een verdere duidelijke daling tegenover 2023. Wanneer ook voor het referentiejaar 2023 met de nieuwe uitscheidingscijfers voor melk- en zoogkoeien wordt gerekend, bedraagt de verwachte daling zelfs 7,3 tot 12,8 miljoen kilogram stikstof en 4,6 tot 6,5 miljoen kilogram fosfaat.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: Pixabay




