Voor het project van Zonvarken werken varkenshouders met lange staarten. We spreken met vijf deelnemers over hoe dit in de praktijk gaat. Bijtgedrag blijkt daarin één van de grootste uitdagingen. Het ontstaat snel en vraagt direct ingrijpen, terwijl je ondertussen moet beslissen wat je doet en waar je de dieren laat.
Bijtgedrag start vaak onopvallend, een klein wondje kan het begin zijn. “Is er een stukje van de pluim af, dan weet je: het is begonnen.” Vanaf dat moment kan het snel escaleren. “Als ze bloed ruiken, gaat het hek van de dam.” Binnen korte tijd kan de schade oplopen, waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zodra je iets ziet, moet je in actie komen. Wachten of eerst ander werk afmaken is geen optie. “Als je het goed wil doen, moet je acuut reageren. Het is absoluut niet planbaar.” Dat betekent dat je je planning opnieuw moet loslaten en eerst de situatie onder controle moet krijgen.
Wie haal je eruit?
Een belangrijke vraag is wie je uit de groep haalt. Daar verschillen de keuzes tussen bedrijven. Sommige deelnemers halen zowel de bijter als de gebeten big uit de groep. Anderen kiezen ervoor om alleen de bijter te verwijderen en de licht gebeten big te behandelen in de groep. De ernst van de situatie bepaalt wat nodig is, maar snelheid is altijd belangrijk. Het vinden van de bijter is vaak het lastigste en meest tijdrovende onderdeel. “Het kost me zo een uur om de bijter te vinden en apart te zetten.” In grotere groepen wordt dat nog moeilijker. “Hoe groter de groep, hoe moeilijker het is om de bijter te vinden en hoe meer gewonden er vallen.” Het vraagt veel geduld. Gedrag geeft aanwijzingen, maar zekerheid is er niet altijd direct. “Ze hebben vaak spitse oortjes, een beetje holle buik en snuffelen aan anderen.” Soms worden hulpmiddelen gebruikt om de dader te vinden. “Ik spray blauw op de staart van de gewonde big. Dan zie je daarna snel wie de bek blauw heeft.”
Ruimte vinden voor dieren
Als je dieren uit de groep haalt, moeten ze ergens naartoe. En daar zit vaak het probleem. Veel bedrijven hebben geen extra ruimte beschikbaar. “We hebben eigenlijk geen extra ruimte. Met schotten maak ik hokjes.” De meeste varkenshouders kiezen ervoor om een hok leeg te houden, maar dat betekent direct minder opbrengst. “Daar hadden ook gewoon biggen in kunnen liggen.” In de praktijk zijn ruimtes er soms wel, maar is vooraf lastig in te schatten hoeveel capaciteit nodig is. Daarbij speelt het moment van uithalen een belangrijke rol. Haal je dieren te vroeg uit de groep, dan heb je veel extra ruimte nodig. Wacht je te lang, dan kan de situatie al uit de hand zijn gelopen. De afweging welke dieren je eruit haalt en wanneer, is dus cruciaal. Tegelijkertijd maken regels het ingewikkeld. Volgens BLK mogen varkens na het spenen niet alleen in het hok liggen en ook niet meer gemengd worden. Dat wringt juist bij het apart zetten van bijters of gebeten dieren. Hier ligt nog een vraagstuk, waarbij ook de Dierenbescherming een rol kan spelen in het zoeken naar werkbare oplossingen voor het (beperkt) mengen van dieren. Het ontbreekt vaak aan een helder en werkbaar beeld van wat binnen de wet en BLK precies is toegestaan. Zo geldt het niet mogen mengen ook bij transport, wat de flexibiliteit verder beperkt.
Hokverrijking
Om bijtgedrag te beperken, wordt ingezet op hokverrijking als afleiding. Er wordt veel gewisseld in materiaal om de dieren bezig te houden. “We wisselen continu met materiaal: stro, kuilvoer, grote stenen, wilgentakken, grond, verschillende muesli, dierlijke eiwitbronnen, luzernestro en dergelijke.” Maar het effect kan soms tijdelijk zijn en we moeten oppassen voor gewenning. “Ze zijn er snel op uitgekeken.” Ook het stalklimaat speelt een rol. “Sinds we dat hebben verbeterd, lijkt het iets beter te gaan.” Toch blijft het zoeken naar wat werkt op het eigen bedrijf.
De impact in de praktijk
Bijtgedrag heeft directe gevolgen. Niet alleen in arbeid, maar ook financieel en mentaal. “Als een dier is afgeschreven, ben je je investering kwijt.” Daarnaast heeft het uitbreken van staartbijten directe impact op dierwelzijn en diergezondheid, wat de gevolgen verder vergroot. Ook in de slachterij werken de gevolgen door. Dieren met een beschadigde staart of wondje kunnen leiden tot extra slachtkosten of worden in sommige gevallen niet geaccepteerd. Dat heeft grote financiële impact, juist omdat het dier op dat moment eigenlijk al slachtrijp is. Tegelijk leeft er zorg over de toekomst. “Ik ben een koploper en vindt het leuk om dit project te doen, maar ik merk dat ik al gefrustreerd raak. Ik zie op tegen 2030, voor de meeste varkenshouders wordt dit heel pittig. Het klinkt op papier allemaal mooi en ik ben het er ook mee eens, maar afgekeurde varkens kosten veel geld.”
Bron: DLV Advies




