Het stoppen met het couperen van varkensstaarten is geen theoretische exercitie, maar een praktische zoektocht. Binnen het project van Vion staat daarom één uitgangspunt centraal: vooruitgang ontstaat in de stal, niet op papier. Door ervaringen uit te wisselen – van wat goed werkt tot waar het schuurt – ontstaat kennis die direct toepasbaar is op andere bedrijven.
In de eerste fase zijn deelnemende bedrijven gestart met het houden van varkens met intacte staarten. Daarbij lag de focus op nulmetingen, stalobservaties en het structureel vastleggen van staartscores en gedrag. Deze aanpak maakt het mogelijk om verder te kijken dan incidenten en juist patronen te herkennen. “Wat daarbij direct duidelijk werd is dat situaties die in theorie beheersbaar lijken, in de praktijk vaak complexer blijken”, benoemt projectleider Maureen Veltmaat. “Bedrijven verschillen in management, voerstrategie en klimaat, en dat vertaalt zich direct naar variatie in resultaten.”
Verschillen tussen biggen en vleesvarkens
De verzamelde data laat duidelijke verschillen zien tussen biggen en vleesvarkens. Bij biggen ligt het aandeel dieren met een intacte staart (score 1) gemiddeld op bijna 70%. Tegelijkertijd valt op dat ook het aandeel staartnecrose (score 6) relatief hoog is, rond de 27%. Bij vleesvarkens is het beeld anders. Ook hier heeft een groot deel van de dieren een intacte staart (ruim 60%), maar schade verdeelt zich meer over de tussenliggende scores. Met name lichte en matige afwijkingen (scores 2 en 3) komen vaker voor, terwijl ernstige necrose duidelijk minder voorkomt (ongeveer 7,5%). Deze verschillen laten zien dat de grootste risico’s zich vroeg in de keten ontwikkelen. Problemen ontstaan vaak al in de biggenfase en werken later door, zij het in een andere vorm.
Necrose als belangrijke indicator
Een belangrijk inzicht uit het project is de rol van staartnecrose als voorloper van bijtgedrag. In veel gevallen wordt niet gebeten op een volledig gezonde staart, maar op een staart die al beschadigd is. Zodra er wondvorming optreedt, neemt de kans op bijten snel toe.
Dit verschuift de focus: niet alleen het voorkomen van bijten is belangrijk, maar juist het vroegtijdig signaleren en voorkomen van ontstekingsprocessen. Daarmee wordt duidelijk dat staartproblemen zelden één oorzaak hebben, maar het gevolg zijn van meerdere factoren die samenkomen.
Basismanagement blijft doorslaggevend
Maureen: “De praktijkervaringen binnen het project bevestigen dat succes in sterke mate afhankelijk is van de basis. Factoren zoals darmgezondheid rond spenen, een constante voer- en wateropname, een stabiel stalklimaat en rust in de groep blijken bepalend.”
Binnen het project worden verschillende oplossingsrichtingen getest, zoals hokverrijking, verbeterde signalering van necrose en aanpassingen in voer- en watermanagement. Ook genetica speelt een rol, maar het grootste deel van de problematiek blijft terug te voeren op omgevingsfactoren.
“De rode draad is duidelijk”, vervolgt de projectleider. “Er bestaat geen standaardoplossing. Vooruitgang vraagt om continu observeren, bijsturen en kennis delen tussen ondernemers, adviseurs en ketenpartners.”
Van inzicht naar toepasbare kennis
Het project laat zien dat de omschakeling naar het houden van varkens met intacte staarten haalbaar is, maar alleen met een realistische en praktijkgerichte aanpak. Door open te blijven over zowel successen als knelpunten ontstaat een steeds scherper beeld van wat werkt.
Die gezamenlijke leerervaring vormt de basis voor verdere stappen richting een varkenshouderij waarin dierenwelzijn en praktische uitvoerbaarheid hand in hand gaan.
Bron: DLV




