Het aandeel vleeseters dat aangeeft varkensvlees te eten, is in 2026 lager dan in de voorgaande metingen. Van de ondervraagde vleeseters zegt 68 procent varkensvlees te eten. In 2024 was dat 75 procent en in 2022 76 procent. Kippenvlees en rundvlees worden duidelijk vaker gegeten. Dat blijkt uit het Nationaal Vleesonderzoek 2026.
Varkensvlees door 68 procent gegeten
Voor het Nationaal Vleesonderzoek is aan vleeseters gevraagd welke soorten vlees zij eten. In 2026 geeft 68 procent aan varkensvlees te eten. Daarmee blijft varkensvlees een veel gegeten vleessoort, maar het aandeel ligt lager dan bij kip en rund.
Kippenvlees en kalkoen staan bovenaan. In 2026 geeft 93 procent van de vleeseters aan kippenvlees of kalkoen te eten. Rundvlees volgt met 88 procent. Daarna komt varkensvlees met 68 procent. Vis, schaal- en schelpdieren worden door 69 procent genoemd. De vraag naar de verschillende soorten vlees is in 2026 door 2.471 respondenten beantwoord.
Het onderzoek meldt niet hoeveel kilogram van welk vlees de ondervraagde personen jaarlijks eten.
Daling ten opzichte van 2022 en 2024
Voor varkensvlees laat het onderzoek over meerdere jaren verschillen zien. In 2021 gaf 68 procent aan varkensvlees te eten. In 2022 steeg dat naar 76 procent. In 2024 kwam het aandeel uit op 75 procent, waarna het in 2026 weer op 68 procent ligt. De onderzoekers concluderen op basis van de verschillende vleessoorten dat vooral bij varkensvlees sprake is van een sterkere afname.
Bij kippenvlees en kalkoen liggen de percentages gedurende de onderzochte jaren hoger. In 2021 at 95 procent van de betreffende respondenten kip of kalkoen. In 2022 was dat 92 procent, in 2024 91 procent en in 2026 93 procent. Rundvlees ging in dezelfde meetjaren van 92 procent in 2021 naar 90 procent in 2022, 90 procent in 2024 en 88 procent in 2026.
Daarmee blijft de positie van varkensvlees anders dan die van de twee meest gegeten vleessoorten. Het onderzoek geeft bij deze cijfers geen verklaring voor de ontwikkeling van het aandeel varkensvleeseters.
Vlees eten zelf blijft stabiel
De ontwikkeling bij varkensvlees betekent niet dat Nederlanders op grote schaal volledig met vlees stoppen. Op de algemene vraag ‘Eet u vlees?’ antwoordt in 2026 95 procent met ja. Dat percentage is de afgelopen jaren vrijwel onveranderd gebleven. In 2021 bedroeg het eveneens 95 procent, in 2022 94 procent en in zowel 2024 als 2025 95 procent.
Het Nationaal Vleesonderzoek maakt daarmee onderscheid tussen het eten van vlees in het algemeen en de keuze voor afzonderlijke vleessoorten. Terwijl het totale aandeel vleeseters nauwelijks verandert, kunnen binnen die groep wel verschuivingen optreden in de soorten vlees die mensen eten.
Ook wanneer respondenten hun huidige eetpatroon vergelijken met dat van een jaar eerder, blijkt dat grote veranderingen beperkt zijn. In 2026 zegt 67 procent ongeveer evenveel vlees te eten als een jaar daarvoor. 23 procent zegt minder vlees te eten en 3 procent veel minder vlees. Een veel kleinere groep geeft aan meer vlees te zijn gaan eten. Volledig stoppen met vlees komt volgens het onderzoek nauwelijks voor. Nationaal
Vlees vaker af en toe vervangen
Een ander onderdeel van het onderzoek gaat over het vervangen van vlees door vegetarische of veganistische producten. In 2026 zegt 40 procent dit nooit te doen. Tegelijkertijd vervangt 17 procent vlees regelmatig of zeer regelmatig door een vegetarisch of veganistisch product.
Daarnaast is er een groep die dit zo nu en dan of bij hoge uitzondering doet. Volgens de onderzoekers wijst dit erop dat vermindering van vleesconsumptie zich vooral uit in flexibel gedrag en afwisseling, en minder in het volledig overstappen op een vegetarisch of veganistisch eetpatroon.
Dat beeld sluit aan bij de algemene cijfers over vleesconsumptie. Het aandeel Nederlanders dat überhaupt vlees eet, blijft rond de 95 procent liggen, terwijl een deel binnen deze grote groep aangeeft minder vlees te eten of vlees soms door andere producten te vervangen.
Onderzoek onder 2.606 Nederlanders
De onderzoeken uit verschillende jaren zijn niet op ieder onderdeel identiek. In de onderzoeksverantwoording staat dat de onderzoeken van 2021 en 2022 vooral waren gericht op kippen- en varkensvlees. Vanaf het onderzoek van 2024 is waar relevant breder over ‘vlees’ gesproken. Die wijziging is van belang bij het vergelijken van resultaten over een langere periode.
Het Nationaal Vleesonderzoek 2026 is gebaseerd op 2.606 volledig ingevulde vragenlijsten. Het veldwerk vond plaats van 1 tot en met 7 mei 2026. De resultaten zijn gewogen naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau om verschillen tussen de steekproef en de Nederlandse bevolking te corrigeren. Volgens de onderzoeksverantwoording bedraagt de maximale statistische foutmarge bij deze steekproefomvang ongeveer 2 procentpunt bij een uitkomst rond 50 procent en een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent.
Tekst: Meike Wittenhorst
Beeld: Prosu beeldarchief




