Waar moet je als varkenshouder voor gaan: voor een big geschikt voor welzijnseisen of een big met meer rendement? Dat was de vraag waar verkoopmanager Stefan Regelink van ABZ Diervoeding zijn verhaal mee begon tijdens de kennisavonden ‘Stappen zetten in welzijn en rendement’ die ABZ Diervoeding samen met fusiepartner in spé Vitelia Voeders organiseerde. Conclusie van Regelink was dat welzijn en rendement prima samen gaan. “Beiden beginnen bij een goede darmgezondheid.”
In gesprekken over de toekomst van de varkenshouderij worden welzijn en rendement vaak tegenover elkaar gezet. Aan de ene kant wil je een big dat hard groeit, efficiënt met voer omgaat, weinig werk geeft en weinig uitval. Aan de andere kant wil je een big met een krul in de staart, geen bijtgedrag, een lage dierdagdosering en ook weinig uitval. Welzijn kost tijd en geld, en het lijken daarmee twee verschillende werelden, maar volgens Regelink is er een gemene deler: robuustheid. “Dat begint al bij de zeug, via grofweg gezegd, twee routes: de baarmoeder en de kraamstal.
SINS gaat urgentie krijgen
Een bekend voorbeeld van hoe de big al in de baarmoeder negatief wordt beïnvloed door de zeug is SINS. Dit zijn ontstekinkjes in minder goed doorbloede delen van het lichaam, vaak de uiteinden. Denk aan oren, staart, speentjes en klauwtjes. Dat kan leiden tot afsterving. “Je ziet het vaak niet, maar op elk bedrijf kun je SINS scoren. Het probleem krijgt meer urgentie. Denk aan de lange staarten. Een lange staart met SINS nodigt uit tot bijtgedrag.”
Volgens Regelink is SINS nog een grote black-box. “We weten dat biggen ermee worden geboren. Het komt dus uit de zeug. Waarschijnlijk ontstaat SINS onder invloed van gifstoffen. Het kan te maken hebben met mycotoxinen in het voer, maar ook andere factoren spelen een rol. We hebben in een onderzoek op 21 zeugenbedrijven biggen gescoord op SINS en gezocht naar relaties. Wat we onder andere zagen is dat de temperatuur in de drachtstal invloed lijkt te hebben. Hoe hoger de temperatuur daar, hoe meer SINS bij de biggen. Zeker boven de twintig graden zagen we meer SINS. We zagen ook dat op bedrijven waar de zeugen op stro liggen minder SINS voorkomt bij de biggen. Wellicht dat stro meer gevoel van behagen geeft. Ook lijkt er een verband te zijn tussen griep onder de zeugen en SINS bij de biggen. Tenslotte kan de wateropname bij de zeugen in de dracht van invloed zijn. Het is sowieso belangrijk regelmatig de kleur van de urine te checken om te kijken of de wateropname voldoende is. Dit betekent urine opvangen en beoordelen. Vooraan bij de waterkraan en achteraan.”
De darm als basis voor robuustheid
De tweede belangrijke overdrachtsroute voor robuustheid begint bij de geboorte en loopt door via de kraamstal. Het heeft alles te maken met gezonde darmen. “De darm is cruciaal voor de gezondheid van het big, en daar heeft de zeug een enorme invloed op”, aldus Regelink.
Tijdens de geboorte komt de big in het geboortekanaal in aanraking met de eerste bacteriën. Die vormen de basis voor het darmmicrobioom. In de kraamstal volgen omgevingsbacteriën uit mest en stal. Vervolgens is de biestopname essentieel. “In biest zitten voedingsstoffen waarop gunstige bacteriën groeien. Goede biestopname betekent dus dat je de juiste bacteriën voedt.” Mede daarom begint darmgezondheid bij de zeug. “De zeug moet zelf een gezonde darm hebben. Dat zit voor een groot deel in het voer. Vezels spelen daarin een sleutelrol. Die moeten onverteerd de dikke darm bereiken en daar de bacteriën voeden. Daarvoor is niet alleen de samenstelling van het voer belangrijk, maar ook de structuur. Het voer moet grof genoeg zijn om de dikke darm te halen.” Gisten en bacteriën in het voer kunnen verder helpen bij het vormen van een optimaal darmmicrobioom.
Zetmeel en eiwit wil je juist níét in de dikke darm hebben. Door specifieke bewerkingen van het voer kan hierop gestuurd worden. “Consistentie is dan ook cruciaal. Niet alleen de samenstelling telt, maar ook de maalfijnheid. Grover of fijner kan voor de zeug een wereld van verschil maken.”
Meten is weten
In de praktijk is een goede darmgezondheid vaak terug te zien rond het werpen: smeuïge mest, een vlot werpproces en weinig koorts of diarree. In praktijkproeven wordt nog een stapje verder gegaan en wordt de darmgezondheid van zeugen en biggen gemeten met behulp van darmswabs, waarmee de relatie tussen zeug en big onderbouwd wordt. “Daarmee zie je niet alleen welke bacteriën aanwezig zijn, maar kun je ook darmschade meten: hoeveel darmmateriaal slijt af en komt in de mest terecht?”
Vezels als voorbereiding op het spenen
Aandacht voor darmgezondheid zet zich door richting moment van spenen. “Je kunt een big heel luxe voeren, maar hij moet ook écht klaar zijn om gespeend te worden. Daarom is het belangrijk om al vóór het spenen plantaardige vezels aan te bieden, bijvoorbeeld via muesli, luzerne of speenvoer met intacte vezels, zoals onze Krusli.”
Regelink stelt wel dat vezels met mate moeten worden gevoerd. “Meer vezels kunnen leiden tot een hogere voerconversie. Als je alles grof houdt, gaat de conversie omhoog. Maar als je heel gericht weet wat grof moet zijn en wat fijn, kun je daar veel beter op sturen.”
Die lijn wordt doorgetrokken naar de opstartfase bij vleesvarkens. “Bij opleg krijgt een big veel prikkels te verwerken. Dat geeft stress, en stress slaat direct op de darm. Door in die fase extra vezels aan te bieden, kun je die stress dempen.”
Darmgezondheid en welzijn
De invloed van de darm reikt verder dan alleen groei en prestaties. De darm heeft ook invloed op gedrag. “In de darm worden vetzuren gevormd die via het bloed in de hersenen terechtkomen en daar gedrag beïnvloeden. Het is bekend dat bijtende varkens een ander vetzuurpatroon hebben dan niet-bijters. Ook daar kun je dus op sturen. Met een vezeltje kun je daadwerkelijk aan welzijn werken.”
Big voor rendement of big voor welzijn?
Volgens Regelink is het antwoord op bovenstaande vraag helder. “Een big met een gezonde darm groeit goed én is beter klaar voor welzijnsuitdagingen, zoals het houden van krulstaarten. Het houden van varkens met krulstaarten is geen makkelijke opgave, maar we zeggen wel: begin morgen met werken aan gezonde darmen. Dan werk je tegelijk aan welzijn én rendement.”
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV




